Hoofdstuk 3 (pag. 21-29)

ZIJ

 

Nadat ze haar boodschappen in de auto had gepropt reed ze de smalle weg op die tot helemaal boven aan de top van de berg ging. Hier beneden bestond het bos voornamelijk uit loofbomen maar na enkele kilometers moesten die plaatsmaken voor naaldbomen die beter bestand waren tegen de soms gure weersomstandigheden hoger op de berg. Maar zelfs de naaldbomen moesten op een gegeven moment wijken. De chalets kon je echter al bereiken na een klim van één kilometer. Te voet was het een stevige wandeling bergop. Maar met de wagen duurde het niet zo heel lang voor ze ter plaatse was. Toen ze afdraaide zag ze iets verder een huis staan tussen de bomen. Dat moest dan wel het huis van Frederic zijn. Emilie bedacht dat het wel een prachtige locatie was om te wonen. Ze richtte haar aandacht al snel weer op het smalle pad dat naar de chalets leidde. Toen ze even later bij de open plek in het bos kwam, wist ze niet wat ze zag. Frederic had wéér gelijk gekregen. Het eens zo mooie zwembad was nog steeds gevuld met water. Alleen zag het water groen en kon ze er algen in zien die fier omhoog staken tot aan het wateroppervlak. Zelfs vanaf deze afstand zag ze dat de verf van de chalets afbladerde. Ze reed met haar wagen tot vlak aan de kleinste chalet en zag nog voor ze uitstapte dat het terras aan het verzakken was. Met de moed der wanhoop ging ze het kleine trapje op en draaide de sleutel om in de deur zodat ze een eerste blik naar binnen kon werpen. Het leek wel of er in jaren niemand meer geweest was! Alles was stoffig en overal hingen spinnenwebben. Voor ze hier kon slapen zou er een serieuze schrobbeurt nodig zijn. Gelukkig had ze meer gekocht dan alleen maar koffie. Ze kon dan misschien koppig zijn, maar ze was absoluut niet zo stom om iemands goedbedoelde raad in de wind te slaan. Al zou ze op dit moment nooit aan Frederic toegeven dat ze dankzij hem ook schoonmaakmiddel gekocht had. Ze nam de bus detergent en een doek en begon aan de eindeloze klus. Ze stak haar oortjes in en zette haar mp3 volume op maximum. Zo ging ze met de moed der wanhoop aan de slag terwijl ze uit volle borst meezong met de hits die in haar oren schalden. Het was al jaren haar stiekeme uitlaatklep, de beste manier om aan haar frustraties een uitweg te bieden. En het leek haar niet dat er nog andere gasten waren die ze er mee stoorde. Terwijl Emilie bezig was merkte ze niet dat het buiten donker werd. En tegen dat het werk er op zat was het voorbij middernacht. Uitgeput viel ze rond één uur ’s nachts op het harde bed in slaap. Ze was zo moe dat ze de kapotte veringen niet voelde doorheen de dunne matras. In tegenstelling tot vroeger was het bed niet opgemaakt geweest bij aankomst. Haar laatste gedachte voor ze in slaap viel, was dat ze morgen absoluut lakens voor haar bed moest gaan kopen. Maar deze nacht zou ze de kriebelende deken niet voelen.

Het was pas wanneer de zon al vrij hoog aan de hemel stond dat ze wakker werd  van een pijnlijke rug. Snel sprong ze uit het oncomfortabele bed en bedacht dat een nieuw dekbed ook geen overdreven luxe zou zijn. Ze ging naar de kleine keuken en kookte water om verse koffie te kunnen zetten. Met een verse kop koffie in de hand overzag ze haar werk van de vorige avond. Het was nu wel proper, maar echt geriefelijk kon je het chalet niet meer noemen. Wat een verschil tegenover vroeger! Maar ze zou zich wel redden. Het was niet moeilijk om zichzelf te overtuigen dat ze niet veel luxe nodig had. Daar was ze niet voor naar hier gekomen. De enige reden was om uit te dokteren wat ze met haar leven zou doen. Misschien kon ze zich hier permanent vestigen. In België was er niets meer wat haar tegen hield.

 Ze besloot een flinke wandeling naar het dorp te maken om de stijfheid uit haar spieren te krijgen. Ze trok haar witte zomerjurk aan en deed voor het wandelen haar nieuwe gympen aan. De zon gaf haar warmte en op een enkele sluierwolk na voorspelde een vlugge blik in de lucht haar niets dan goeds. Ze vertrok met een deuntje in haar gedachten en bedacht dat een beetje lichaamsbeweging precies was wat ze nodig had. Ze wandelde het bos in en begon aan de wandeling naar beneden. Natuurlijk was het veel sneller om de weg te nemen, maar in het bos was er een rust die je nergens anders kon vinden. Het bladerdek was nog maar net uit de knop en dus kon de zon haar stralen nog tot op de bodem in het bos laten doordringen. Enkel de nestelende vogels lieten zich hier horen. Het viel haar wel op dat de krekels zwegen vandaag. Ze vroeg zich net af hoe dat zou komen toen ze merkte dat de zon zich verschool achter een wolk. Zonder de warmte van de zon voelde het een heel pak frisser aan. Ze merkte dat er een lichte wind opstak die haar armen kippenvlees bezorgde. De lucht die eerst zo helder blauw was geweest begon nu helemaal toe te trekken. Zware wolken pakten samen en in de verte hoorde ze de eerste tekenen van een naderend onweer. Als het onweer haar kant opkwam zou het niet lang duren voor ze er middenin zou komen te zitten. De weergoden konden hier serieus uithalen rond de berg. Ze hoorde dat de donderslagen duidelijk in volume toenamen en ze voelde dat de eerste dikke regendruppels neervielen. Emilie moest niet nadenken over wat haar nu te doen stond. Zorgen dat ze zo snel mogelijk uit het bos kwam was haar enige optie. Onweer en bomen waren nu eenmaal niet de beste combinatie! Dankbaar voor haar sneakers liep ze tussen de bomen door naar beneden. In de hoop dat haar intuïtie haar niet bedroog en ze inderdaad steeds dichter bij de rijweg kwam. Er kwam nu ook een sterke wind opzetten en tussen de bomen door zag ze af en toe flarden van een donkergroen tot zwart wolkendek. Het leek haar heel angstaanjagend en bezorgde haar zonder meer de daver op het lijft. Na wat een hele poos leek bereikte ze eindelijk de rijweg die naar het dorp leidde. De bliksem kraakte uit de hemel en kwam een eind verder op een boom terecht. Een enorme knal galmde door het hele bos. De boom viel dwars over de weg neer en ze moest erover springen om naar beneden te kunnen lopen.

Net voorbij een scherpe bocht zag ze de ruïne van een kapel. De gevel die langs de kant van de weg had gestaan was volledig verdwenen. Maar er stond in ieder geval nog een dak op de restanten van de kapel. Ze viel er neer, om in de verste hoek, enige vorm van beschutting te zoeken. Daar zat ze te daveren van de schrik en de kou. Ze begon stilletjes te huilen. Bang dat dit haar einde weleens kon zijn. Het hele bos leek te schudden en daveren door de luide donderslagen. Ze was doornat en de zomerjurk die ze daarstraks had aangetrokken, plakte nu tegen haar lichaam. Maar daar kon ze nu helemaal niet aan denken. Ze hoorde iets in de verte, het leken wel sirenes. Met alles wat ze in zich had, probeerde ze zich op het geluid van de sirenes te concentreren. Als ze het juist had, kwamen ze dichterbij.

 

HIJ

 

Ze hadden min of meer klaargestaan in de kazerne. Want het lag in de lijn van de verwachtingen dat tropisch heet zomerweer in de maand april een weerbots zou krijgen. Extreme  weeromstandigheden eindigden hier altijd met herrie. Dat mochten ze ook vandaag weer eens ondervinden. Gelukkig was het nog niet zo heel erg lang broeiend heet geweest. De grond nog niet droog genoeg om voor een bosbrand te vrezen. Maar de bliksem was ergens in het bos ingeslagen. Daar waren ze allemaal zeker van. De wagen reed uit en naar goede gewoonte zat Frederic links achter de chauffeur.  Hij liet zijn ogen het bos afspeuren naar sporen van een mogelijke inslag. Hij was niet bang voor zijn huis en was er vrij zeker van dat dat intact was. Niet alleen zijn dak, maar ook zijn hele terrein waren voorzien van bliksemafleiders. Zijn enige echte zorg ging naar de chalets van ‘le petit paradis’. Emilie zat daar helemaal alleen. Hij moest er niet aan denken wat er kon gebeuren. Hij moest nu vooral zijn hoofd erbij houden en als een echte professional handelen. Vooral geen persoonlijke motieven laten meespelen! Waarom was hij dan vandaag zo ongeduldig om de weg op te kunnen draaien? Hij staarde uit het raam alsof hij het antwoord daar kon vinden. Ze reden langs de oude kapel en daar zag hij weggedoken in de verste hoek iemand zitten. ‘Stop de wagen!’ riep hij. Zijn chef keek hem vragend aan en weer riep hij: ‘Stop, daar zit iemand!’ De chauffeur remde af en nog voor de brandweerwagen stilstond was Frederic met zijn voeten op het asfalt terechtgekomen. Hij spurtte terug naar de kapel en zag haar op haar knieën zitten met haar rug naar hem toe. Hij wist gewoon met zekerheid dat het Emilie was! Achter haar zakte ook hij op zijn knieën en hij pakte haar voorzichtig bij haar schouders vast. ‘Rustig maar, je bent veilig. Ik ben het, Frederic.’ Maar ze kalmeerde niet, integendeel. Ze draaide zich om en begon te huilen alsof haar leven ervan afhing. Dikke tranen rolden over haar kaken en vielen op haar knieën. Die waren geschaafd, maar verder zag hij op het eerste gezicht geen verwondingen. Achter hem kwamen er collega’s aanlopen. ‘Hé Frederic, heb je hier hulp nodig?’

‘Nee, gaan jullie maar kijken waar die inslag was. Pik ons maar weer op wanneer jullie weer terug naar de kazerne rijden.’ Nu richtte hij al zijn aandacht weer op Emilie. ‘Emilie, gaat het met je? Ben je ergens gewond?’ Zijn vragen werden beantwoord met nieuwe tranen. Ze leek hem zo breekbaar. Nog nooit had hij iemand zo hartverscheurend weten huilen. Zelfs zijn zus was, na haar echtscheiding, volgens hem niet zo van streek geweest. Hij trok haar tegen zich aan en zei weer: ‘Niet bang zijn, je bent veilig nu. Ik ben hier, je bent niet meer alleen.’ Ze hief haar op gezicht naar hem en ze schudde fel met haar hoofd. 'Je vergist je, ik ben wel alleen. En nog nooit in mijn leven heb ik me zo verlaten gevoeld! Ik ben bang van het onweer, maar vooral om alleen verder te moeten. Waarom hebben ze me achtergelaten? Nu heb ik niemand meer!’ Weer begon ze te snikken en wanneer hij niet nat zou geweest zijn door de regen, zouden haar tranen zijn hele vest doorweken, maar daar kon hij wel tegen. ‘Wie heeft je alleen gelaten? Kun je me dat vertellen?’ Hij vroeg het voorzichtig zonder druk te zetten voor een antwoord. Ondertussen streek hij zacht over haar rug met zijn vingers. Hij merkte dat haar jurk als een natte vod tegen haar lichaam plakte en deed zijn vest uit om die vervolgens aan haar aan te bieden. Ze nam de vest dankbaar aan en keek hem verdrietig aan. ‘Mijn ouders’ was haar simpele antwoord. ‘Ze zijn allebei overleden. Eerst mijn vader en sinds kort ook mijn moeder. Ik ben alleen. Er is niemand meer om voor te zorgen. Ik ben naar hier gekomen om herinneringen op te halen aan vroeger en een beetje te bekomen van vijf lange jaren. Maar weet je, ik zou zo die jaren weer terug over willen doen en deze vergissing rechtzetten. Naar hier komen was blijkbaar toch niet zo’n fantastisch idee. In vijf jaar heb ik geen traan gelaten, maar nu er een onweer boven mijn hoofd is losgebarsten is er geen houden meer aan. Het lijkt wel of er iemand de kraan bij mij heeft opengedraaid.’ Ze voelde zich verbazingwekkend op haar gemak terwijl ze zo aan het praten was. Terwijl zij bleef huilen tuimelden haar woorden vanzelf uit haar mond. Ze bleef maar praten en hij hield haar vast en zei niets. Na een hele tijd waren de tranen opgedroogd en keek ze voor het eerst op van zijn schouder. ‘Waarom kwamen jullie eigenlijk hierheen? Waarom hebben ze jou hier afgezet? Hebben je collega’s jouw hulp niet nodig?’ Het leek wel of Emilie net besefte dat Frederic hier inderdaad was afgezet door zijn collega’s. ‘We kwamen kijken waar de inslag van het onweer was. Toen we hier voorbij reden, zag ik jou zitten. Het leek me dat jij dringend had moeten schuilen. En nu blijkt dat je ook nood had aan een stevige schouder en een luisterend oor. En wat mijn collega’s betreft, die kunnen het zeker zonder mij af. Maar ze pikken ons op wanneer ze weer naar beneden komen. En dan zullen we in de kazerne eerst eens naar die knieën van jou laten kijken.’ Tijdens haar eigen stortvloed van tranen was het onweer al fel verminderd. De regen viel ondertussen in een rustiger tempo naar beneden. En hier en daar begon er zich zelfs een scheurtje in het wolkendek te vormen. Met een flauwe glimlach die haar ogen niet wist te bereiken zei ze: ’Dank je, dit is nu al de tweede keer dat ik jouw hulp nodig heb.’ Hij trok zijn wenkbrauwen bezorgd samen en deed haar opkijken door haar kin vast te nemen. Toen sprak hij heel zachtjes: ‘Als je me nog eens nodig hebt, roep je me maar. Je kan altijd op me rekenen, dat beloof ik je.’ Hij probeerde erbij te glimlachen maar het viel hem erg moeilijk. Hij wilde haar graag beter leren kennen. En hij zou haar met plezier zijn schouder nog eens een keer aanbieden. Als die donkere schaduwen onder haar ogen daardoor zouden verdwijnen. Het zou zijn doel worden om haar weer gelukkig te maken. En hij schrok toen hij zichzelf op deze gedachten betrapte.